Een Australische dieselwerkplaats ontving een voertuig met een intermitterende cilinderuitval.
Toen de motor koud was, werkte de injector normaal.
Elektrische controles leken ook acceptabel.
Nadat het voertuig had gereden, kort was uitgeschakeld en opnieuw was gestart, keerde de cilinderfout terug.
Dit maakte temperatuur een belangrijk onderdeel van de diagnose.
De technici verwarmden de motor volledig en lieten deze na uitschakeling stil staan.
De temperatuur onder de motorkap bleef nog enige tijd stijgen, ook al draaide de motor niet meer.
Bij opnieuw starten begon dezelfde cilinder uit te vallen.
De injectorconnector en bedrading werden vervolgens getest terwijl ze heet waren.
De werkplaats ontdekte dat de elektrische weerstand in het getroffen circuit instabiel werd wanneer de componenten heet waren.
Bij lagere temperatuur gedroeg de verbinding zich normaal.
Dit verklaarde waarom eerdere koude continuïteitstests het probleem niet hadden kunnen vinden.
Voor een ander diagnostisch voorbeeld met betrekking tot cilinderonbalans, zie deze gerelateerde discussie over intermitterende injectorbedradingsfouten en cilindercorrectiewaarden.
De getroffen elektrische verbinding werd gerepareerd.
Het voertuig werd vervolgens onderworpen aan dezelfde opwarm-, uitschakel- en herstartsequentie.
De cilinder bleef normaal functioneren.
De injector bleef in gebruik.
Bij hoge omgevingstemperaturen kan de hitteophoping in de motorruimte zwakke elektrische verbindingen blootleggen die verborgen blijven tijdens een koude werkplaatstest.
Voor Australische dieseltoepassingen moet temperatuur daarom worden behandeld als een testconditie in plaats van achtergrondinformatie.
Dit geval toont aan waarom elektrische injector tests soms heet moeten worden uitgevoerd.
Een circuit dat een koude weerstands- of continuïteitstest doorstaat, kan zich anders gedragen na thermische uitzetting.
Het reproduceren van de temperatuurconditie voorkwam een onnodige injectorvervanging.